EPILOOG
De dood, ik heb me er altijd – een soort van – op verheugd.
Dat meen je niet.
Ja, werkelijk, al van jongs af aan.
Was je dan zo depressief?
In het geheel niet, ik ben wat je noemt een ware levensgenieter – misschien wel juist door dit wonderlijke doodsverlangen.
Levenslust en doodsverlangen gaan hand in hand.
Mijn God, wat is dit mooi!
Ik zit voor mijn raam te schrijven en zie een ijle, melkwitte nevelbank over de Schelde. De morgenzon schijnt er dwars doorheen. Dit witte licht – dat is waaraan ik denk bij de dood. Ik heb me er altijd op verheugd om daarin op te mogen gaan.
En je geliefden dan?
Natuurlijk doet het pijn die achter te moeten laten. Nog meer pijn doet het als ik denk aan hun verdriet. Maar in één verzoenend ogenblik komen ook die afscheidswoorden van Jezus in me op aan de vooravond van zijn sterven: Ik zal jullie niet als wezen achterlaten.
Nee, ik zal hen niet als wezen achterlaten. Sterker nog, ik zal dichterbij zijn dan ooit eerder in mijn leven – want in hen. Dichterbij dan ooit, zingt Blöf op het album dat verscheen na het verongelukken van hun drummer Chris Götte. En op datzelfde album klinkt het: Wat een mooie dag, wat een mooie dag…. voor de dood.
Ik heb de dood altijd als een moeder gezien in wie ik terugkeer. Van Paradijs naar Paradijs naar Paradijs – zo is mijn leven gegaan en zo zal het blijven gaan.
Wat een mooie dag. Ik zal bevrijd zijn uit deze gevangenschap in tijd en ruimte… die tegelijk een heerlijke gevangenschap was. Want een gevangenschap waarin ik zoveel schoonheid heb genoten, zoveel orgastische extase heb ervaren – en de liefde heb mogen leren.
Reactie plaatsen
Reacties